Home
Index Film

Previous Film

 The fall of the King

Next  Film




WRITERS RUDOLF MESTDAGH & LOIS VAN DIEVEL
DIRECTOR RUDOLF MESTDAGH

 

In Belgium, when kids at the age of eight get their first history lessons, they need to learn the names of all the kings that ruled the country, when they were born, when they died. Amongst others they learn that king Albert I, a die-hard alpinist, died when he falled climbing a mountain in the south of Belgium, in the early thirties.

In 2003, Jacques Noterman wrote a book on the subject : ‘Le Roi Tué’ translated into Dutch as ‘De Val Van Albert I’. In no time, the book became a    bestseller and stayed the best selling book in Belgium for several months, both in French and Dutch. The book has not been translated into English.  

In the book the author repeatedly proves that it is impossible that the king would have fallen from the rock. He suggests that the King, a reputed womanizer, was killed by his wife, Queen Elisabeth, in the palace in Laken and that his body was brought to Marche-Les-Damme to set up the so-called accident.

If brought to the big screen in a JFK-like feature film, the story would without any doubt appeal to the entire Belgian population. But most definitely, it could also attract an international audience. 

CosmoKino is seeking partners in England and/or France and/or the USA to possible (co)-develop and (co)-produce a film entitled ‘The Fall Of The King’, with Rudolf Mestdagh attached as the director and possible co-writer and (co)-producer.

The development of the script has started. Co-writer of the project is journalist & novelist Louis Van Dievel, who won the prestigious Libris-Award with his recent and fourth novel De Pruimelaarstraat (published by Houtekiet).  
 


SYNOPSIS

Jacques Vervloet, hoofdinspecteur van de Gerechtelijke Politie (GP), gaat met pensioen. Na de afscheidsreceptie wordt hij thuis opgewacht door notaris Uytdebroeck. In het testament van zijn elf jaar geleden overleden vader Theodore (voormalig hoofdcommissaris van de Gerechtelijke Politie) verzoekt hij de notaris zijn zoon Jacques op zijn zestigste verjaardag een bruine omslag te overhandigen. Het aanvaarden van de omslag zal veel miserie veroorzaken. Als Jacques de omslag weigert, zal de notaris deze vernietigen. Jacques aanvaardt de omslag. Die bevat een merkwaardige koperen sleutel en het dagboek van zijn vader. Op 17/2/34 meldt Theodore de dood van koning Albert.

Jacques gaat slapen, na dagboek en sleutel te hebben opgeborgen. Later die nacht dringen gemaskerde mannen de woonst van notaris Uytdebroeck binnen, kraken de kluis, laten al het geld erin onaangeroerd. De notaris ligt in zijn bed, vastgebonden, levenloos.

Jacques weet wat hem te doen staat. De zoektocht van zijn vader verderzetten en in het kluwen van intriges en kuiperijen, waarin de bourgeoisie, het Hof, de clerus en de Gerechtelijke Politie verweven zijn, op zoek gaan naar de waarheid en opheldering verschaffen. Is de vorst is overleden als gevolg van een val ? Theodore wist beter. De vorst is vermoord. Er rest alleen de bewijzen te vinden. Een heikele kwestie…

Jacques merkt al snel dat hij geschaduwd wordt. Enkele dagen lang speelt Jacques kat en muis met zijn bespieders. Tijdens de avondmis, schudt hij hen af. In de sacristie onthult hij de abt Louis het mysterie. Vier gemaskerde mannen binnen in de villa van Jacques. Een agent rijdt hen klem en wordt de laan uit gestuurd : Staatsveiligheid.

Via de koperen sleutel weet Jacques zijn hand te leggen op foto’s van de autopsie van de vorst. Ook is er een Proces Verbaal van een getuige, Charles Hennuy, die op de plaats waar de vorst is gevonden een schot heeft gehoord en twee mannen heeft zien wegvluchten.

Jacques wordt gekidnapt en geblinddoekt vervoerd naar een geheime plek waar een gedistingeerde Heer hem ontvangt. Wil Jacques meewerken als het belang van het land op het spel staat ?


TREATMENT

Eén dag voor zijn zestigste verjaardag – het is vrijdag 29 juni 2007 -  wordt Jacques Vervloet uitgewuifd als eerstaanwezend hoofdinspecteur van de Federale Gerechtelijke Politie (GP). Het gaat er vrolijk aan toe op de afscheidsreceptie, zeker na het vertrek van de commissaris. De lokale korpsoverste had er in zijn feestrede de hele politiehervorming bijgehaald, terwijl de collega’s alleen maar herinneringen wilden ophalen. Aan de zaak Dutroux, en aan de zaak Fourniret. Aan bandieten die waren gepakt en aan bandieten die waren gaan lopen. Tegen middernacht loopt de refter van het politiegebouw leeg. Jacques Vervloet wil nog mee opruimen, wat eerst op protest wordt onthaald en daarna in dank wordt aanvaard. Er wacht toch niemand op Jacques, hij is heel zijn leven jonkman gebleven. Achter zijn rug noemen ze hem een duikelnicht, omdat hij altijd van die doordringende after shave lotions gebruikt. Er zijn arrestanten geweest die daarover klaagden bij de ondervraging.

Het is al halfeen wanneer Jacques Vervloet op wankele benen aan de voordeur van zijn kleine witte villa staat en naar de huissleutel zoekt. Hij is te voet gekomen, het is maar een kwartiertje wandelen van de politie naar zijn woonst, en hij kan best wat frisse lucht gebruiken. De auto haalt hij morgen wel op. Hij heeft nu alle tijd van de wereld.

Het hart van de net gepensioneerde hoofdinspecteur slaat een slag over wanneer achter zijn rug iemand discreet kucht. Lang geleden – toen hij zijn conditie nog onderhield – zou hij zijn belager middels een judogreep of een karateslag hebben overmeesterd, maar nu draait hij zich voorzichtig om, want hij heeft last van zijn rug. Voor hij kan vragen met wie hij te maken heeft, stelt de nachtelijke bezoeker zichzelf voor.

‘Notaris Uytdebroeck, met duizend excuses dat ik zo laat en zo onaangekondigd stoor. Maar ik voer de wil van uw overleden vader uit.’

Jacques Vervloet weet niet wat hij hoort. Zijn vader is al elf jaar geleden gestorven. De kleine witte villa waar hij nu voor staat, maakte deel uit van de erfenis. Maar de man die bij hem aan de deur staat is wel degelijk notaris Alphonse Uytdebroeck, hij herkent zijn gezicht in het schijnsel van het dievenlichtje dat hij altijd op zak heeft.

‘Hebt u misschien gedronken, mijn vader is toch al lang overleden’, wil hij de notaris verwijten, maar hij zwijgt omdat hijzelf allesbehalve nuchter is en ziet hoe de notaris achteruit deinst voor zijn drankadem. Hij wenkt de notaris mee naar binnen, ontsteekt ongeveer alle lichten in huis, laat zich in de woonkamer in de zetel vallen en maakt met een handgebaar duidelijk dat de notaris van wal kan steken.

‘Mijnheer Vervloet, zegt de notaris formeel, ik ben zo vrij u een gelukkige verjaardag toe te wensen, het is inmiddels 30 juni geworden.’

‘Merci’, is het enige wat Jacques Vervloet kan mompelen.

‘Toen uw vader zijn einde voelde naderen, heeft hij mij – los van zijn testament – met nog een andere opdracht bedacht. Op uw zestigste verjaardag diende ik u deze omslag te overhandigen. Lastens uw vader dien ik er meteen aan toe te voegen dat deze omslag een dagboek en de sleutel van een kluis bevat. U hoeft deze omslag niet te aanvaarden. Want ook dat moet ik namens uw overleden vader zeggen: “De aanvaarding van deze omslag zal veel miserie veroorzaken voor de begunstigde.”

‘Aanvaardt u deze omslag of neem ik hem terug mee en vernietig ik hem, zoals het de wil van uw vader is?’

Jacques Vervloet zit de notaris met open mond aan te staren. Wat heeft zijn vader nog in petto voor hem? Ook Theodore Vervloet was heel zijn actieve leven lid van de gerechtelijke politie (toen nog niet geïntegreerd in de Federale Politie, maar handelend in opdracht van de onderzoeksrechter). In de jaren dertig werd hij als jong inspecteur plots naar Brussel overgeplaatst en maakte hij snel carrière. Hij bracht het tot hoofdcommissaris van de GP. Na zijn pensionering, aan het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw, maakte ook zijn zoon bijzonder langzaam carrière bij de GP. Theodore Vervloet bereikte de gezegende leeftijd van 92 jaar. Ieder jaar – op de dag van zijn verjaardag – werden er bloemen en een fles wijn bezorgd vanwege het Hof. Op zijn begrafenis was de vleugeladjudant van koning Albert II aanwezig. Tijdens de begrafenismis verschaften vier onbekende mannen zich met een sleutel toegang tot de witte villa. De ene buurvrouw die niet naar de kerk was omdat ze niet goed ter been was en alles zag van achter haar gordijntjes, kreeg van de chef van de mannen (die een kaart toonde waar iets opstond als la Sûreté de l’Etat) ingepeperd dat ze haar mond moest houden, wilde ze het pensioen krijgen waar ze al zo lang op wachtte.

Jacques Vervloet aanvaardt de bruine omslag, doet de notaris uitgeleide, en gaat aan de keukentafel zitten met een groot glas water en met de omslag voor zijn neus. Hij prutst het zegel open. Een ogenblik later weegt hij een merkwaardig gevormde koperen sleutel in zijn hand. Nog wat later slaat hij de stoffen kaft van het dagboek open en herkent meteen het handschrift van zijn overleden vader.

Het dagboek van Theodore Vervloet is niet veel soeps. Het zijn de notities van een overijverige jonge inspecteur bij de Gerechtelijke Politie, die ’s avonds op zijn kamer minutieus neerschrijft wat hij die dag heeft meegemaakt. En dat is niet echt boeiend. Tot het dagboek aan 17 februari 1934 komt. Plots verandert het regelmatige geschrift in haastige hanenpoten.

“De koning is dood aangetroffen in Marche-les-Dames!”

De lakei van de koning, ene Theofile Van Dycke, heeft het stoffelijk overschot van Albert I gevonden aan de voet van de rotsen van Marche-les-Dames, waar de vorst helemaal alleen was gaan wandelen. De lakei rijdt helemaal naar het justitiepaleis van Namen om het onheil te gaan melden. Allicht heeft hij eerst het paleis van Laken verwittigd, want wanneer onderzoeksrechter Charles Phillipart ter plekke komt, staat daar al Guillaume de Grunne - Meester van het Huis van de Koningin en één van de belangrijkste personen aan het Hof – over het lijk gebogen.

“Ook ik heb het lijk van de vorst gezien”, schrijft Theodore Vervloet in zijn dagboek. “Ik moet zeggen dat er amper sporen te zien waren van de zware val die de koning moet gemaakt hebben.”

Guillaume de Grunne dringt er bij de onderzoeksrechter op aan dat hij de zaak snel zou afronden als een ongeluk. En dat het lijk meteen mee mag naar Laken.
“Mijnheer Phillipart belooft een snelle afwikkeling, maar hij beveelt toch dat het lichaam van de koning naar het Institut Médico-Légal van Namen zou gebracht worden, voor een eventuele autopsie. De rechter staat duidelijk onder druk van het paleis en zit verveeld met de zaak”, schrijft Theodore Vervloet.

Het is inmiddels bijna twee uur geworden. Jacques Vervloet geeuwt, stopt dagboek en sleutel opnieuw in de omslag, legt die in de la van de keukentafel en gaat slapen.

Op hetzelfde moment dringen vier gemaskerde mannen het huis van notaris Uytdebroeck binnen, slaan de hond dood, verdoven de meid en maken de notaris wakker. Wat er precies gebeurd is, blijft een raadsel. De volgende ochtend wordt de notaris dood gevonden op zijn bed. Hij is vastgebonden. Er zijn sporen van slagen. De wetsdokter oordeelt dat notaris Uytdebroeck aan een hartaanval is gestorven. Het hele huis is doorzocht, de kluis is gekraakt. Het geld in de kluis is blijven liggen. Het is niet duidelijk of en wat de indringers hebben meegenomen.

Jacques Vervloet slaapt uit en gaat per fiets vissen. De omslag stopt hij in zijn vissersmand die hij achterop de fiets bindt. Een kwartier na zijn vertrek stopt er een onopvallende grijze wagen aan de deur van zijn kleine witte villa. Er stappen vier mannen in kostuum uit. Net als ze met een loper de deur willen openmaken, komt een  agent in uniform aangereden met de kleine Alfa Romeo van Jacques Vervloet, die aan het politiegebouw was blijven staan. De agent denkt aan inbrekers en blokkeert de auto van de vier heren in pak. Net als hij versterking wil oproepen, stapt een van de ongenode bezoekers doodgemoedereerd op de politieagent toe, duwt hem een kaart van de Staatsveiligheid onder de neus, en snauwt hem toe dat hij als de bliksem de weg moet vrijmaken. Ze verdwijnen.  De agent rapporteert het vreemde voorval aan zijn officier, die de commissaris van de Federale Gerechtelijke Politie inlicht. De commissaris denkt lang na en neemt dan de telefoon.

Jacques Vervloet leest voort in het dagboek van zijn vader. Op 18 februari schrijft Theodore Vervloet het volgende:

“De onderzoeksrechter heeft mij discreet de officieuze opdracht gegeven om naar het Institut Médico-Légal te gaan, waar het lichaam van de koning wordt bewaard. Hij weet dat dokter Mertens een jeugdvriend van mij is. Dokter Mertens was bloednerveus toen ik hem belde. Hij zei dat hij geen tijd had om mij te woord te staan en legde de telefoon neer. Ik was zeer verbaasd. Maar na vijf uur belde hij mij zelf op, met het verzoek om snel langs te komen, langs de achterdeur. Hij begeleidde mij in het halfdonker naar de ruimte waar de koning op ijs werd bewaard. Hij sloeg het laken weg en ik zag tot mijn ontzetting een schotwonde in de hartstreek van de vorst. Dokter Mertens  kneep hard in mijn arm en bracht zijn wijsvinger naar zijn lippen. “Je bent hier nooit geweest”, zei hij toen we afscheid namen aan de dienstingang aan de achterkant van het instituut. “En de koning is gestorven als gevolg van zijn val van de rotsen.”

Onderzoeksrechter Phillipart werd helemaal grijs toen ik hem na acht uur opzocht in zijn kabinet. Hij vloekte binnensmonds en beval mij uitdrukkelijk alles te vergeten wat ik had gezien. “Voor je eigen goed, jeune homme”, zei hij. Maar zo zit ik niet in elkaar.”

Maar dan beweegt de dobber van Jacques Vervloet voor het eerst in bijna een uur en legt hij het dagboek opzij onder een rivierkei. Waar hij het vergeet. Onderweg naar huis piept zijn gsm in zijn broekzak. Hij kijkt naar de display: het is zijn oude chef.

‘Jacques, zegt de commissaris, er is iets vreemds aan de hand. Vanmorgen stond de Staatsveiligheid aan je deur. De agent die je auto kwam terugbrengen zag hoe ze wilden binnengaan. Ze hadden blijkbaar een sleutel. Ik heb naar Brussel gebeld om te vragen wat er aan de hand is, maar ik ben niets wijzer geworden. Leid je soms een verborgen leven of zo? Hou je staatsgevaarlijke elementen verborgen in je huis? Of Osama Bin Laden?  Enfin, ik wilde je maar waarschuwen. Je zult het beste weten of er al dan niet een reden is. Maar ik vind het wel vreemd dat ze net de dag na je pensionering aan je deur staan. Net of ze dat daarvoor niet durfden. Soit, ik zit tot over mijn oren in het werk met die overval op notaris Uytdebroeck.’

‘Notaris Uytdebroeck?’

‘Heb je het nieuws niet gehoord? De notaris is dood in zijn bed aangetroffen na ongewenst nachtelijk bezoek. Het zou een roofmoord kunnen zijn als er niet zoveel contant geld was blijven liggen. Allez, hou me op de hoogte en verwittig me meteen als je nog eens bezoek krijgt.’

De schrik slaat Jacques Vervloet om het hart wanneer hij de omslag van de notaris openmaakt en enkel nog de sleutel vindt. Hij keert zijn fiets en rijdt opnieuw naar zijn geheime plekje aan de rivier. Waar hij ook de merkwaardige koperen sleutel onder de witte rivierkei legt, naast het dagboek. Er wordt geen regen voorspeld.

De bruine omslag met hoofding van notaris Uytdebroeck vult hij op met een stuk oude krant en visaas. Thuis gekomen legt hij de omslag op de tafeltje voor de televisie, vist de sleutel van de Alfa uit de brievenbus en rijdt op zijn dooie gemak naar zijn nicht, waar hij uitgenodigd is om te komen eten.
 
Wanneer Jacques Vervloet laat en alweer lichtelijk beschonken van bij zijn nicht terugkeert, ligt de omslag nog steeds op dezelfde plaats op tafel. De inhoud is zo te zien intact. Maar de kleine voorzorgsmaatregelen die Vervloet als ervaren politieman had getroffen (haartjes tussen de deurstijlen!), verraden dat er bezoek is geweest.

De volgende dagen speelt Vervloet kat en muis met zijn onzichtbare bespieders. Hij maakt er een sport van om drukke plaatsen op te zoeken en dan plots te verdwijnen. Maar hij heeft de indruk dat “ze” hem altijd terugvinden. Hij durft niet goed terug te gaan naar zijn vissersplekje, maar uiteindelijk wint zijn nieuwsgierigheid naar het dagboek het van zijn voorzichtigheid. Hij springt op zijn fiets en rijdt naar de rivier. Daar aangekomen heeft hij nog net de tijd om het dagboek en de sleutel in zijn jas te proppen, want plots komt er een andere visser bij hem zitten, die zijn nagelnieuwe visgerei amper weet te gebruiken. Vervloet laat hem stuntelen en gaat ook niet in op de pogingen van de man om conversatie aan te knopen. Vervloet is bang. Iets zegt hem dat hij het niet zou overleven, mocht hij het boek en de sleutel van zijn vader vrijwillig aan “hen” overhandigen. Zoals notaris Uydebroeck. Hij probeert zich te vermannen: is hij politieman of is hij het niet? Hij wil eigenlijk weten waarom zijn bezit zo gegeerd is door de geheimzinnige mannen van de Staatsveiligheid. Voor het eerst in zijn visserscarrière voelt hij zich niet op zijn gemak aan het water. En nochthans bijten de vissen zoals hij het nog nooit heeft meegemaakt. Zijn collega-visser vangt daarentegen bot.

Het is zaterdagavond en Jacques gaat naar de avondmis in de St-Martinuskerk. Hij kent er alle gelovigen, en de drie nieuwkomers vallen dus op. Twee van hen zitten enkele rijen achter hem in de kerk, de derde – de visser – blijft achteraan tegen een pilaar staan leunen, en verdwijnt wanneer de priester hem uitnodigt om toch vooraan plaats te nemen. Zoals hij wel vaker doet, helpt Jacques Vervloet een handje bij het opruimen van de kerk na de dienst. De nieuwe gelovigen durven niet te blijven hangen, hoewel ze toch wel een minuut of vijf aandacht veinzen voor de lelijke Bijbeltaferelen die de zijbeuken van de kerk sieren. Jacques Vervloet en de priester, de abt Louis, installeren zich met een goed glas wijn in de sacristie. Vervloet legt hem uit wat hem is overkomen. De parochiepriester fluit af en toe tussen zijn tanden wanneer hij het vervolg van het dagboek hardop voorleest.

“De voorzitter van de rechtbank van Namen heeft een mededeling verspreid voor de zittende en de staande magistratuur en voor de officieren van de gerechtelijke politie. De doodsoorzaak van onze betreurde vorst staat nu vast. Hij is overleden aan inwendige kneuzingen ten gevolge van zijn val. De overlijdensakte is ondertekend door minister van Justitie Paul Emile Janson en door eerste minister Charles de Broqueville. Ik begrijp niet hoe men zulke valse verklaring kan verspreiden. De koning is vermoord, ik heb toch met eigen ogen de schotwonde in zijn borst gezien! En wat ik hier allemaal niet hoor! Dat kapitein de Dixmude ontslag heeft genomen als hoofd van de Koninklijke lijfwacht, omdat hij onder een voorwendsel uit de nabijheid van de koning zou zijn weggelokt. Naar Laken! Dat de vorst de nacht had doorgebracht in het kasteel van een adellijke weduwe. Arme Theodore, je weet nog niet veel af van de hogere kringen! Dat ook de koningin minnaars zou hebben gehad!”

Jacques Vervloet en abt Louis schieten gelijk in een lach. Ze besluiten een dwaalspoor uit te zetten voor de mannen die Vervloet zo hardnekkig schaduwen. Waar zou het dagboek veiliger zijn dan in het tabernakel? Zij doen geloven dat het dagboek daar is achtergelaten. Maar abt Louis stopt nonchalant de sleutel in zijn broekzak, Vervloet verbergt het dagboek in het simililederen kaft van een kapot gelezen gebedenboek en legt het bovenaan in een bananendoos, bij andere te herstellen kerkspullen. Ze ledigen de fles wijn en gaan elk hun weg.

Op zondag werkt Jacques Vervloet in de tuin en gaat eten in een restaurantje vlakbij het justitiepaleis. De priester leidt twee eucharistievieringen en gaat ‘s middags op  huisbezoek bij parochianen die niet meer goed ter been zijn.

Op maandag gaat Jacques Vervloet met de trein naar het Institut Médico-Légal te Namen. Net zoals zijn vader indertijd, heeft hij daar ook een copain. Maar de archieven van het instituut zijn na de oorlog spoorloos verdwenen. En overigens waren vorige week nog heren van de Staatsveiligheid komen informeren naar  dokter Mertens, die evenwel al ruim 25 jaar geleden is overleden. Zijn enige zoon woont in Canada.

Jacques gaat met de merkwaardige koperen sleutel langs de zes bankkantoren van de stad. Maar nergens kunnen ze de sleutel thuisbrengen. Dit soort sleutel is al lang in onbruik, verzekeren de bereidwillige bankdirecteuren. Twee van hen grijpen meteen na het vertrek van Jacques naar de telefoon en bellen een nummer dat hen was bezorgd door de Staatsveiligheid. Eéntje belt een uur later vanuit een telefooncel naar Jacques en geeft hem het adres van zijn voorganger bij de bank, inmiddels al lang gepensioneerd, die thuis nog een antieke kluis heeft staan waarin hij het zwarte geld en andere paperassen van sommige cliënten bewaarde.

Jacques Vervloet wandelt door het oude centrum van Namen en blijft lang in de zon zitten op een bankje bij de samenvloeiing van de Maas en de Samber. Ook twee heren in maatpak blijven in zijn buurt van de zon genieten.

Abt Louis haast zich op zijn brommer langs allerlei binnen- en landwegen waar geen auto hem kan volgen.  

’s Avonds treffen Jacques en Louis elkaar in het café van de parochiezaal, waar het maandagse kaarttornooi volop aan de gang is. Ook hier kan geen onbekende binnenkomen zonder opgemerkt te worden. Jacques Vervloet en abt Louis hebben moeite om elkaar te verstaan, zoveel lawaai is er. Op het cafétafeltje tussen hen in liggen twee enveloppen: in het ene zitten foto’s van Albert I, naakt op de autopsietafel, met een grote schotwond aan de hartstreek. De kogel is er langs achter weer uitgekomen en heeft daar een nog lelijker wonde veroorzaakt. In de andere omslag zit het proces verbaal van een verhoor, afgenomen door onderzoeksrechter Phillipart, van een zekere Charles Hennuy. Deze verklaart stellig en met zoveel woorden dat hij op het tijdstip van de dood van koning Albert I aanwezig was op de plaats waar het lichaam van de vorst gevonden is, en dat hij daar een schot heeft gehoord. Even later zag hij met een tussenpauze van ongeveer 1 minuut twee mannen wegvluchten, in tegengestelde richtingen.

De Staatsveiligheid beslist die avond dat ze lang genoeg discreet en voorzichtig is geweest. Wanneer Jacques Vervloet naar zijn Alfa loopt die even voorbij de parochiezaal is geparkeerd, krijgt hij plots een wapen in de nek geduwd. Links en rechts van hem haakt iemand een arm in de zijne. Hij wordt naar een witte bestelwagen geleid en op de achterbank geduwd. Iemand trekt een kap over zijn hoofd, iemand doet hem handboeien om. De auto vertrekt.  

Zijn vroegere chef – de commissaris van de Federale Gerechtelijke Politie – geeft de chauffeur van een anonieme wagen teken om de witte bestelwagen discreet te volgen. Hij knikt veelbetekenend naar de twee inspecteurs achterin de Opel Passat :  het spel zit op de wagen.  

Abt Louis zit in de pastorij van de Sint-Martinuskerk en leest voort in het dagboek van Theodore Vervloet. “Onderzoeksrechter Phillipart heeft een blaam gekregen omdat hij het lichaam van de vorst niet wilde vrijgeven. De zaak is hem ontnomen. Er was trouwens geen zaak meer, nu het officieel is dat de koning is gestorven aan de gevolgen van zijn dramatische val. Maar rechter Phillipart wenste niet mee te werken aan dat bedrog. Want dat is het toch!!! Kon ik maar iets doen om hem te helpen.”  

De rit in de witte bestelwagen duurt ruim een uur. Vervloet vermoedt dat ze in rondjes hebben gereden om hem te desoriënteren. Het is al volop nacht, de hemel staat vol sterren. Vervloet ademt diep de frisse lucht in als hij uit de camionette wordt geholpen en de kap van zijn hoofd wordt verwijderd. Zijn kleren ruiken naar het bier en de sigarettenrook van de parochiezaal. Hij wordt een kleine witte villa binnengebracht die een kopie zou kunnen zijn van zijn eigen huis. Alleen is dit huis schaars bemeubeld. Aan een grote tafel in een verder bijna kale kamer zit een gedistingeerde heer met grijs haar, die hem vriendelijk gebaart om plaats te nemen. Vervloet toont zijn geboeide handen. Ze worden losgemaakt.

'Mijnheer Vervloet, het wordt tijd dat wij eens praten.'

Vanuit de anonieme Volkswagen Passat luisteren de chef van de Gerechtelijke politie en zijn mannen mee naar de conversatie in het huis.

Louis leest verder in het dagboek. “Ik ben ontboden bij de voorzitter van de rechtbank in Namen. Er zat ook een sombere heer in zijn werkkamer, die als een speciale gezant van de minister van Justitie werd voorgesteld. De voorzitter informeerde vriendelijk naar mijn loopbaan bij de Gerechtelijke Politie. Hij zei dat hij veel goeds over mij had gehoord. Maar toen nam de sombere heer het gesprek over, en hij was veel minder vriendelijk. Hij vroeg of gewezen onderzoeksrechter Phillipart mij soms documenten had overhandigd over het onderzoek naar de doodsoorzaak van Albert I. "Gewezen onderzoeksrechter?" stamelde ik. Ik voelde mezelf helemaal rood kleuren. Maar dat viel beide heren blijkbaar niet op in de donkere werkkamer. Mijnheer Phillipart bleek bij Ministerieel Besluit uit zijn ambt te zijn geschorst, wegens obstructie van de rechtsgang. De schrik sloeg mij om het hart. Ik verzekerde de voorzitter van de rechtbank en de gezant dat ik over geen enkel document beschikte. En dat was een eerlijk antwoord. Maar ik had niet de indruk dat ze mij geloofden. Ik werd de les gespeld. Plots bleek mijn carrière bij de Gerechtelijke Politie veel minder veelbelovend…"  

De gedistingeerde heer windt er geen doekjes om. ‘We weten dat u beschikt over bepaalde documenten in verband met de dood van koning Albert I, en we zouden die graag van u krijgen.' Jacques Vervloet voelt zich vreemd genoeg op zijn gemak. Hij lacht de heer vriendelijk toe. Schudt dan beslist met het hoofd. ‘Als ik al over documenten zou beschikken – en ik zeg als – dan zou ik toch graag weten waarom u zich zo hebt vastgebeten in een zaak die meer dan 70 jaar oud is.’ De heer zucht diep. ‘Dat kan ik u helaas niet vertellen.’ ‘Dan kan ik u helaas niet helpen.’ 'Ouwe Jacques, hij heeft culot', grinnikt de chef van de Gerechtelijke Politie in de auto die voor de oprit van de villa geparkeerd staat.

Louis leest verder in het dagboek. "Als ik na negen uur de sleutel van de deur van mijn kamer wil omdraaien, roept de hospita mij van beneden aan de trap. Er is een pakje voor mij bezorgd. Het is een bruine omslag die met veel zorg is dicht gekleefd en dan nog eens met touw is gebonden. Ik vraag wie het pakje bezorgd heeft. Een heer, zegt ze, een gehaaste heer met een snorretje en achteruitgekamd haar in een lange bruine regenjas. Rechter Phillipart! Met trillende handen maak ik op mijn kamer de touwtjes los en snijdt de omslag open. Lieve God, wat krijg ik hier allemaal op mijn hals: foto's van de lijkschouwing, processen verbaal van verhoren. De documenten waar de voorzitter van de rechtbank en de gezant van justitie naar op zoek zijn! Ik weet echt niet wat aan te vangen!”  

'Bent u bereid om met ons samen te werken als het landsbelang op het spel staat?' vraagt de heer van de Staatsveiligheid. Natuurlijk wel, antwoordt Jacques Vervloet, en hij meent het. Maar hij wil graag overtuigende argumenten horen, geen vrijblijvend beroep op zijn vaderlandsliefde. Opnieuw zucht de man aan de andere kant van de tafel diep.

'Wijlen uw vader heeft een voorspoedige carrière binnen de Gerechtelijke Politie gemaakt, veel voorspoediger dan iemand ooit had durven voorspellen. Weet u hoe dat komt?'

'Neen maar ik ben bijna zeker dat u het mij meteen gaat vertellen.'

In de sacristie slaat abt Louis een nieuwe bladzijde van het dagboek om. “Ik heb het merendeel van de documenten die mij zijn doorgespeeld aan de voorzitter van de rechtbank overhandigd. Ik heb naar waarheid gezegd dat ze mij zijn overhandigd via mijn hospita. Ook zij is ondervraagd en heeft mijn verhaal bevestigd. Ik heb de verklaring van kapitein de Dixmude prijsgegeven, waarin hij de namen opsomt van de mannen die hij tot de moord op de koning in staat acht, omdat de koning een relatie had met hun echtgenotes. De vorst had blijkbaar een gezond seksueel appetijt. En hij maakte ook geen geheim van die relaties. De mannen van zijn uitverkorenen hadden maar in te stemmen met de afspraken die Albert I via de kapitein van zijn lijfwacht liet maken. Maar op die bewuste 17 de februari was de kapitein dus weggelokt, met het bekende dramatische gevolg. De foto's van de lijkschouwing en de verklaring van de heer Charles Hennuy over het schot, heb ik veilig weggeborgen, als een soort levensverzekering. De voorzitter van de rechtbank was bijzonder tevreden over mij.”  

'Uw vader, mijnheer Vervloet, heeft indertijd belangrijke informatie over de dood van koning Albert I overhandigd aan de justitie. En hij is daarvoor beloond. Maar wij hebben altijd geloofd dat hij nog even belangrijke informatie had achtergehouden, wat niet onverstandig was van hem, dat geef ik grif toe. Want stel dat hem iets zou overkomen zijn, mijn voorgangers bij de Sûreté  konden niet het risico lopen dat die informatie in andere handen zou komen via voor ons onbekende wegen. Daarom hebben wij uw vader zijn hele leven lang gevolgd. En toen hij was gestorven, hebben wij jarenlang al zijn relaties en natuurlijk ook uzelf gevolgd. Want vroeg of laat zou die informatie bij u terecht komen, als we maar geduld oefenden, en we hadden gelijk.'
'En waarom was die informatie zo belangrijk?'

'Dat kan ik u niet zeggen.'

'U zult het moeten zeggen.'

'Laten we stellen dat de informatie zware schade kan toebrengen aan de reputatie van de koninklijke familie.'
In de sacristie bladert de parochiepriester verder in het dagboek van Theodore Vervloet. “Een maand later kreeg ik al promotie en een overplaatsing  naar de veel belangrijker gerechtelijk arrondissement van Brussel hoofdstad. Ik denk dat ze mij daar beter in de gaten konden houden, maar dat vond ik niet erg. Het was bijzonder prettig werken in Brussel. Ik hoorde dat kapitein de Dixmude in de cel was terechtgekomen, omdat hij de namen van de wraakzuchtige echtgenoten wilde bekendmaken. En vooral één naam, van wie hij zeker was dat hij bij de moord op de koning zou betrokken zijn. Als bewijs van schuld was de bewuste man overigens naar Kinshasa gevlucht. Het gaat om…”

Abt Louis neemt zijn gsm en drukt een nummer.
'Met Louis hier, het is inderdaad… Wat doe ik met het dagboek? Verbranden? Oké, komt in orde.'
De deur van de kamer in de villa gaat open en de chef van de Gerechtelijke Politie stapt binnen, met achter hem zijn twee inspecteurs die hun wapen richten op zowel de heer van de Staatsveiligheid als op Jacques Vervloet.

'We nemen Jacques van u over, collega', zegt de chef.
De heer kijkt verbijsterd, dan berustend.
'Ik wist dat we niet alleen op zoek waren.'

In de gang liggen de bewusteloze lichamen van de mannen die Jacques Vervloet naar hier hebben gebracht. Vervloet is stomverbaasd : hoe hebben ze die kunnen overmeesteren zonder geluid te maken?  
Het is al bijna ochtend wanneer Jacques Vervloet opnieuw aan zijn keukentafel zit. Hij drinkt een glas wijn en dan nog één. Tot hij wat rustiger en lomer wordt.

Zo zat het dus in elkaar. Zowel de Staatsveiligheid als de Gerechtelijke Politie waren al die tientallen jaren op zoek geweest naar de informatie waarover zijn vader beschikte. Maar niemand wist precies wat hij had achtergehouden en wat hij had verteld. Iedereen wist wel dat de koning vermoord was, maar niemand was zeker van de dader. Want er waren er twee. Twee mogelijke daders. Ze waren allebei op de plaats van de misdaad toen het fatale schot viel. Maar slechts één had de trekker overgehaald. De ene was de wraakzuchtige bedrogen echtgenoot van wie kapitein de Dixmude had gesproken. De andere was een beroepsmoordenaar die door koningin Elisabeth was ingehuurd. De Staatsveiligheid geloofde stellig dat Albert I door de huurmoordenaar was omgebracht, en geloofde stellig dat Theodore Vervloet de identiteit van de man kende. De Gerechtelijke Politie wist dat de huurmoordenaar te laat was gekomen, maar wist niet wie dan echt het fatale schot had gelost. Dat stond dus in het dagboek van zijn vader. Het was wel degelijk de echtgenoot die naar den vreemde is gevlucht.

Hoe weet u dat toch allemaal? Had Jacques op de terugweg aan zijn vroegere chef gevraagd.
Uit het dagboek natuurlijk, had de chef hem vriendelijk uitgelegd. Abt Louis heeft ons al vaker geholpen bij moeilijke opdrachten… Toen en daar, om 5 uur 's morgens in de Volkswagen Passat, zweert Jacques Vervloet bij zichzelf dat hij nooit nog een voet in de kerk zou zetten.

In een buitenwijk van Kinshasa krijgt een blanke man het bezoek van twee lieden. De man vraagt waarmee hij hen van dienst kan zijn. De mannen vragen of ze een tas koffie kunnen krijgen. Wanneer een tijdje later de meid de keuken binnenkomt, zet ze het op een gillen en kiest het hazepad. De mannen, met zwarte lederen handschoenen aan, drinken rustig hun kop koffie uit, stappen in een zwarte geblindeerde wagen en rijden de brousse in.